Umbrandet betekent letterlijk dat iets door golven wordt omringd of omspoeld. In het lied beschrijft Dota hoe het heden haar volledig omringt als een zee: een poëtisch beeld voor overweldigende gevoelens en herinneringen.
In “Sonett In Dur” vraagt de verteller zich af hoe het leven eruitzag vóór de geliefde kwam. „Was suchte ich, bevor ich dich gefunden?“ [Wat zocht ik voordat ik jou vond?] Sinds die ontmoeting zijn de schaduwen van haar ziel verdwenen: „Du kamst und mir die Schatten von der Seele nahmst“ [Jij kwam en nam de schaduwen van mijn ziel weg]. Het verleden wordt steeds vager, terwijl het heden haar helemaal omringt als een zee: „So ganz umbrandet mich das Jetzt, dies’ Meer“ [Het nu omspoelt mij volledig, deze zee]. De dromen van vroeger lijken daarin uit te komen.
De mooie, bijna plechtige beelden maken de liefde tegelijk warm en kwetsbaar. Zolang de geliefde er is, draagt hij het „bunte Kleid“ [bonte kleed] van de jaren, alsof hij kleur aan het leven geeft. Zonder hem blijven alleen „die weißen Winter und die Einsamkeit“ [de witte winters en de eenzaamheid] over. En dan komt de grote, nogal stellige zin: „Niemals wieder wird es Frühling sein“ [Nooit zal het weer lente zijn]. De titel verwijst naar een sonnet in majeur, maar de tekst laat horen hoe snel die lichte toon kan omslaan in angst voor verlies.